Wat is een compartimentsyndroom?

De spieren in het onderbeen zitten verpakt in stevige bindweefselvliezen, die samen een aantal afgesloten "compartimenten" of loges vormen. Dat vlies is nauwelijks rekbaar. Tijdens inspanning hebben spieren meer bloedtoevoer nodig en zwellen ze wat op — maar omdat het omhullende vlies niet meegeeft, kan de druk in het compartiment flink oplopen. Wanneer die druk te hoog wordt, spreken we van een compartimentsyndroom (ook wel logesyndroom).

Bij de inspanningsgebonden vorm (de meest voorkomende) ontstaat de pijn typisch tijdens het sporten en verdwijnt deze vervolgens weer, doorgaans binnen zo'n twintig tot dertig minuten na het stoppen met de activiteit. De meest bekende locatie is het voorste compartiment, aan de voorzijde van het onderbeen, een blessure die van oudsher bekendstaat om veel voor te komen bij militairen na lange marsen. Naarmate de aandoening verergert, kan de pijn uiteindelijk ook in rust blijven bestaan.

Om de diagnose met zekerheid te stellen, is vaak een drukmeting in het compartiment nodig, tijdens of vlak na inspanning — op een gewone scan of röntgenfoto is een compartimentsyndroom namelijk meestal niet goed te zien.

Shin splints: een andere blessure dan vaak gedacht

Diep achter in de kuit ligt nog een compartiment, waar vroeger vaak van werd gedacht dat te hoge druk hierin de oorzaak was van shin splints (ook wel "springschenen" genoemd): pijn aan de binnenzijde van het scheenbeen. De klassieke verklaring luidde dat het strak staande spiervlies voortdurend aan het botvlies van het scheenbeen trekt, met een soort ontstekingsreactie tot gevolg.

Dat beeld is inmiddels bijgesteld. Shin splints, in de vakliteratuur medial tibial stress syndrome genoemd, worden tegenwoordig vooral gezien als een botreactie op herhaalde belasting: door telkens terugkerende, kleine buigkrachten op het scheenbeen tijdens hardlopen kan het bot lokaal geïrriteerd raken. Dit past in hetzelfde spectrum als een vermoeidheidsbreuk (stressfractuur), maar dan in een vroeger en minder ernstig stadium. Fascietrek door een compartimentsyndroom kan hierbij een rol spelen, maar wordt niet langer gezien als de hoofdoorzaak.

Kenmerkend is pijn en soms lichte zwelling aan de binnenzijde van het scheenbeen. In het begin lukt het vaak nog om door de pijn heen te trainen, maar na verloop van weken wordt dat steeds lastiger.

Wat verhoogt de kans op shin splints?

Een aantal factoren vergroot de kans op deze blessure:

  • Trainen op een harde ondergrond, waardoor de schokbelasting op het scheenbeen toeneemt.
  • Een doorgezakte voet of platvoet, waardoor de belasting op het onderbeen anders wordt verdeeld.
  • Een snelle opbouw van trainingsintensiteit, waarbij het bot onvoldoende tijd krijgt om zich aan te passen aan de belasting.

Bij een platvoet kan een steunzool de stand van de voet, en daarmee ook de rotatie van het onderbeen, iets aanpassen. Dit kan helpen om de belasting op de spieren en het scheenbeen te verminderen en zo de klachten te verlichten.

Behandeling

Bij shin splints is het belangrijkste om de belasting tijdelijk aan te passen: minder of minder intensief trainen, zodat het bot de kans krijgt om zich te herstellen en aan te passen. Een geleidelijke, rustige opbouw van de trainingsbelasting is essentieel om terugval te voorkomen — dit type blessure staat er nu eenmaal om bekend dat het, als het niet goed wordt aangepakt, jarenlang kan aanslepen. Aanvullend kunnen een steunzool bij een afwijkende voetstand, aangepast schoeisel en gerichte kuitversterking bijdragen aan herstel.

Bij een echt inspanningsgebonden compartimentsyndroom is de aanpak anders: aanpassingen in looptechniek, schoeisel of training kunnen soms verlichting geven, maar bij aanhoudende klachten is een operatieve ingreep (fasciotomie), waarbij het strakke vlies wordt losgemaakt, vaak de meest effectieve oplossing.

 

Kabiz
Sohn
Geschillencommissie Zorg Algemeen
SEMH
Bewegingsvisie
SEMH